DEBUSSY – Prélude à l’après-midi d’un faune, La Mer, Images

Debussy wilde niet tot een stroming behoren en steunde op een brede waaier aan inspiratiebronnen. Voor Prélude à l’après-midi d’un faune, op 22 december 1894 voor het eerst uitgevoerd door het Orchestre de la Société nationale de musique onder leiding van Gustave Doré, liet hij zich duidelijk inspireren door zijn fascinatie voor het gedicht van Stéphane Mallarmé. In de commentaar bij die première, wellicht geschreven door Debussy zelf, lezen we: ‘De muziek van deze prelude is een zeer vrije illustratie van het schitterende gedicht van Mallarmé. Ze wil er in geen enkel opzicht een synthese van zijn maar weerspiegelt eerder de opeenvolgende decors waarin de verlangens en dromen van de faun in de hitte van de namiddag aan bod komen. Vermoeid door het achtervolgen van de angstig vluchtende nimfen, geeft de faun zich uiteindelijk over aan een bedwelmende slaap, waarin zijn dromen van heerschappij over de Universele Natuur eindelijk waar worden.’ De Prélude is dus geen beschrijvende of programmatorische muziek. Ze volgt geen tijdlijn of geschiedenis. Alles is efemeer, doordrongen van een sensueel gevoel van eenheid met de natuur.

Tijdens de compositie van de Prelude nodigde Debussy Mallarmé uit en speelde het werk voor op piano. Na een lange stilte, verklaarde de dichter: ‘Dit had ik niet verwacht! Deze muziek versterkt de emotie van mijn gedicht en schildert het decor nog passioneler dan je met kleuren zou kunnen doen.’ Mallarmé was in de wolken bij de première en schreef aan Debussy: ‘Mijn beste vriend, ik kom ontroerd uit de concertzaal. Prachtig! Uw illustratie van l’Après-midi d’un faune verschilt alleen van mijn tekst doordat ze nog verder gaat in de nostalgie en het licht, met verfijning, met malaise, met rijkdom. Ik druk uw hand vol bewondering, Debussy. Hoogachtend, Stéphane Mallarmé.’

La Mer, voltooid in 1905, telt drie bewegingen: De l’aube à midi sur la mer, Jeux de vagues en Dialogue du vent et de la mer. Drie delen die blijk geven van een eindeloze fantasie, fabelachtige harmonieën, een sterk vormbewustzijn en een uiterst vernieuwende orkestratie door het gebruik van klankmogelijkheden die ongekend waren in die tijd. Zijn grootste inspiratiebron was ongetwijfeld Rimsky-Korsakov, net als voor Les Images overigens, gecomponeerd tussen 1903 en 1912: we weten dat Debussy Iberia (chronologisch het eerste van de drie Images) componeerde nadat hij twee concerten van Russische muziek had bijgewoond, gedirigeerd door Rimsky-Korsakov. Een ervan was het Capriccio espagnol, uitgevoerd in het kader van de Wereldtentoonstelling van 1889.

Oorspronkelijk waren de Images geschreven voor twee piano’s, een formule die op heel wat bijval kon rekenen in het Frankrijk van 1900. De drie delen waren toen Iberia, Gigue triste en Rondes. Al heel snel wijzigde Debussy zijn plannen: hij maakte er een orkestwerk van en wijzigde bepaalde titels, evenals de volgorde van de bewegingen: Iberia (1905-08), Rondes de printemps (1905-09) en Gigues (1905-12). André Caplet dirigeerde het werk op 18 maart 1922 en plaatste Iberia op de laatste plaats. Ik weet niet of deze volgorde persoonlijk werd gekozen door Caplet of gesuggereerd of gevraagd werd door Debussy. Caplet corrigeerde samen met Debussy de proefdrukken van de Images en hield onafgebroken contact met de componist tot de laatste jaren van zijn leven. Muzikaal gezien lijkt deze volgorde mij het beste voor een concertsituatie. Aangezien Debussy van bij het begin van het compositieproces chronische twijfels had over de volgorde van de delen en er geen definitieve beslissing te vinden is, heb ik besloten de volgorde van Caplet te volgen.

Jos van Immerseel

© Outhere Music